Dat komische talent had Otjes volgens Boos al als kind toen hij in een Amsterdamse volksbuurt woonde. “Het was een scharrig mannetje en hij moest zich staande zien te houden tussen oudere en sterkere jongens voor wie hij een prooi was. Daar redde hij zich uit door de paljas uit te hangen. Hij werd voor die jongens een mascotte.”
Ook journalist Robert Vinkenborg, de jongste van het kwartet, is opgegroeid met Otjes. “Ook voor mij was hij een jeugdheld”, vertelt Vinkenborg, die Otjes als kind op tv zag in series als Hamelen en Q&Q. Vinkenborg raakte met Otjes bevriend toen hij hem als jonge verslaggever interviewde voor een lokale krant.
“Dat gesprek duurde tot diep in de nacht. Hij vond zichzelf veel meer een toneelspeler dan een televisieacteur. Daar lag eigenlijk zijn grote liefde. Dat vond ik een heel interessante kant van hem. Die passie deelden we.”
Telg uit een achterliggend, ambachtelijk tijdperk
Zo speelde hij de solovoorstelling Uit het dagboek van een gek van Gogoli, geregisseerd door de Tsjechische Vera Baréšová. Die voorstelling bracht hem zelfs naar Polen, waar hij werd onderscheiden door het Ministerie van Cultuur.
“Hij was echt een artistieke duizendpoot”, vertelt Ko Boos. “Hij had altijd een pen en papier op zak. Dan zat hij op een terrasje en observeerde hij de samenleving om zich heen: schetsend, schrijvend. Een telg uit een achterliggend, ambachtelijk tijdperk.”
Tekst gaat verder onder de foto.







